MER-NIEUWSFLITS DECEMBER

Juridische Rubriek: geen derde ster voor Beluga maar wel groen licht van de Raad van State voor de tunnel

Op de dag dat op de site van de Raad van State de uitspraak inzake het TB A2 Passage Maastricht werd aangekondigd, was Maastricht vooral in rep en roer vanwege het feit dat restaurant Beluga een derde Michelinster was misgelopen. Twee dagen later werd bekend dat de kwaliteit van de Maastrichtse besluitvorming over de Passage A2 volgens de Raad van State zeker drie sterren verdiende.

Op 30 november 2011 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan op de beroepen die waren ingesteld tegen het tracébesluit A2 Passage Maastricht (201100819/1) en de bijbehorende bestemmingsplannen A2 Traverse (201101448/1) en A2 Mariënwaard (201101745/1). Alle beroepen zijn ongegrond verklaard (een beroep tegen een van de bestemmingsplannen is wel gegrond verklaard, maar de Afdeling heeft de vernietiging van dat stukje zelf geheeld op grond van hetgeen ter zitting nader is toegelicht door te bepalen dat de rechtsgevolgen in stand blijven). Daarmee zijn alle drie de besluiten onherroepelijk geworden en kan het project De Groene Loper worden uitgevoerd. De werkzaamheden waren overigens al begin 2011 gestart.

De uitspraken zijn juridisch gezien niet zo interessant. Slechts de volgende onderwerpen vallen op en verdienen een korte bespreking:

1. Ontvankelijkheid
Om beroep in te kunnen stellen tegen een tracébesluit moet je niet alleen belanghebbende zijn maar ook een zienswijze hebben ingediend. Dat staat in artikel 6:13 van de Awb: door een belanghebbende kan geen beroep worden ingesteld als hem redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht. Zowel de Belangenvereniging A2-omwonenden en de VvE Wijckerveldflat hadden echter geen zienswijzen naar voren gebracht. Maar de Afdeling oordeelde dat voor zover het de beroepsgronden over de grenzen van de tijdelijke maatregelen en de te amoveren objecten betrof, aan hen redelijkerwijs dat niet kon worden verweten, nu het tracébesluit op dit onderdeel gewijzigd is vastgesteld ten opzichte van het ontwerptracébesluit. De beroepen waren in zoverre ontvankelijk. “Voor het overige is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan Belangenvereniging A2-omwonenden en VvE Wijckerveldflat redelijkerwijs niet kan worden verweten daartegen geen zienswijzen naar voren te hebben gebracht. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen van Belangenvereniging A2-omwonenden en VvE Wijckerveldflat voor het overige niet-ontvankelijk zijn.”
Dus: De Afdeling behandelt alleen de beroepsgronden van diegene die geen zienswijzen heeft ingesteld voor zover die zien op de wijzigingen ten opzichte van het ontwerptracébesluit.

2. Een goede ruimtelijke ordening
“De VvE Oranjerésidence en VvE Torenflat kunnen niet worden gevolgd in hun stelling dat de keuze voor dit tracé met tunnel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, nu in de Tracéwet - anders dan in de Wet ruimtelijke ordening - de norm van een goede ruimtelijke ordening niet als zodanig is opgenomen.”
Met deze overweging neemt de Afdeling – overigens zonder motivering – afstand van een tweetal eerdere uitspraken. Ik bedoel dan die van 28 juli 2010 (200902071/1) over het tracébesluit A-50 Valburg-Grijsoord waarin staat: “Nu voor de woning [...] geen hogere waarden zijn vastgesteld, bestaat op grond van de Wgh (oud) geen verplichting tot het verrichten van onderzoek naar de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van de woning [...]. In zijn algemeenheid moet echter worden aangenomen dat de cumulatieve geluidbelasting ten opzichte van de geluidbelasting door afzonderlijke bronnen op zich bezien een negatieve invloed kan hebben op het woon- en leefklimaat en dat dit aspect in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden betrokken in de belangenafweging.”
En aan die van de uitspraak van 6 april 2011 (200907396/1) over het tracébesluit A28 Zwolle – Meppel, waarin staat: “In het akoestisch rapport zijn berekeningen gemaakt van de cumulatieve geluidsbelasting op woningen waarvoor hogere grenswaarden zijn vastgesteld. Het onderliggende wegennet is meegenomen bij deze berekeningen. Volgens het deskundigenbericht is de Admiraal W.G. van Nesstraat een 30 kilometerweg, waarop de Wet geluidhinder, ingevolge artikel 74, tweede lid, aanhef en onder b, van deze wet, niet van toepassing is. Desondanks dient de weg in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij het tracébesluit te worden betrokken.”

3. Luchtkwaliteit
Ook in deze zaak bevestigt de Afdeling dat een exceptieve toetsing van het NSL-besluit (en aan de gemelde wijzigingen van het NSL) mogelijk is. Beoordeeld moet dan worden of het NSL na opname van A2 Passage Maastricht, zoals omschreven in de melding van 13 juli 2010, gericht is op het bereiken van de grenswaarden en of aannemelijk kon worden geacht dat deze opname geen overschrijding of verdere overschrijding van de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) veroorzaakt.
“In dit kader overweegt de Afdeling dat de Wet milieubeheer voorziet in een systeem ervoor te zorgen dat het programma gericht blijft op het bereiken van deze grenswaarden. Dit gebeurt via de in artikel 5.14 van deze wet geregelde jaarlijkse rapporten over de voortgang en uitvoering van het programma alsmede de in artikel 5.12, tiende en twaalfde lid, van deze wet opgenomen bevoegdheid om het programma aan te passen. Deze systematiek biedt veel ruimte om te komen tot het beoogde eindresultaat. Wanneer, zoals in dit geval, de juistheid van bij het (wijzigen van het) NSL gehanteerde uitgangspunten wordt bestreden, bestaat voor het oordeel dat het NSL onrechtmatig is alleen grond indien wordt aangetoond dat het redelijkerwijs niet mogelijk is - ook niet met een verdere bijstelling van het programma - de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer gestelde grenswaarden op de betrokken data te halen.”

4. Verhouding tracébesluit en bestemmingsplan
In de uitspraak inzake het bestemmingsplan A2 Traverse zat nog wel een aardige overweging. Normaliter verstrijkt er een lange tijd tussen de vaststelling van het tracébesluit en het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 15, achtste lid, van de Tracéwet. In dat artikellid staat: “De gemeenteraad stelt binnen een jaar nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening overeenkomstig het tracébesluit vast. Voor zover een ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in het tracébesluit kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerpplan.”
Bijzonder hier was dat het bestemmingsplan van de gemeenteraad (14 december 2010) vlak na het tracébesluit (24 november 2010) was vastgesteld en lang voordat het tracébesluit onherroepelijk is geworden (30 november 2011). Bovendien bepaalt artikel 15, achtste lid, alleen maar iets over de zienswijzen en was er nog geen tracébesluit ten tijde van ontwerp-bestemmingsplan. Ten derde: een regeling zoals in artikel 25c (“Indien tegen een in artikel 20, tweede lid, bedoeld besluit beroep kan worden ingesteld, kunnen bij dit beroep geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op een tracébesluit waarop dat besluit rust”) is opgenomen voor uitvoeringsvergunningen kent de Tracéwet niet voor bestemmingsplannen.

Dus hoe onderbouw je nu juridisch dat je niet tegen het tracébesluit en het bestemmingsplan dezelfde argumenten zou mogen aanvoeren?
Ooit kende de Tracéwet wel een bepaling als artikel 25c, maar met ingang van 15 oktober 2000 was dat artikel 19 van de Tracéwet komen te vervallen. Reden daarvoor was dat de daarin opgenomen verwijzing naar de planologische medewerking niet meer aan de orde was door de tevens geregelde rechtstreekse doorwerking van het tracébesluit. In artikel 19, tweede lid, van de Tracéwet was – kort samengevat - bepaald dat bezwaren tegen het bestemmingsplan geen grond mochten vinden in bedenkingen tegen het tracébesluit.
Daarna is de dubbele inbreng van identieke bezwaren slechts één keer aan de orde geweest (ABRvS 28 juli 2004, 200308875/1 (bestemmingsplan Verbreding A2 Zaltbommel-Empel)) .
Uit die uitspraak gedaan na het vervallen van artikel 19 blijkt dat ook zonder een wettelijke bepaling, de Afdeling vindt dat het niet bedoeling is om twee keer in twee procedures dezelfde argumenten aan te voeren tegen het dan voorliggende besluit.
“Voorzover appellanten zich niet kunnen verenigen met de wijze van landschappelijke inpassing zoals deze is neergelegd in het landschapsplan, overweegt de Afdeling dat het landschapsplan als onderdeel van het tracébesluit A2 reeds aan de orde is gekomen in de mede door appellanten ingestelde beroepsprocedure tegen dat besluit. Bij uitspraak van 7 november 2001, no. 200001474/1, heeft de Afdeling onder meer het beroep van appellanten ongegrond verklaard. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen ruimte om de landschappelijke inpassing zoals neergelegd in het landschapsplan in het kader van de bestemmingsplanprocedure opnieuw ter discussie te stellen.”

In de uitspraak inzake het bestemmingsplan A2 Traverse kiest de Afdeling voor een andere oplossing als de Ondernemers Initiatief Wyck wederom betogen dat de zogenaamde rechtsaffer ontbreekt: “De afsluiting van de rechtstreekse verbinding tussen de autosnelweg A2/N2 en het stadsdeel Wyck is voorzien in het kader van het tracébesluit A2 Passage Maastricht. Deze afsluiting is als onderdeel van het tracébesluit A2 Passage Maastricht reeds aan de orde gekomen in de mede door Ondernemers Initiatief Wyck en anderen ingestelde beroepsprocedure tegen dat besluit. [...] Naar het oordeel van de Afdeling bestaat, gezien het wettelijk systeem zoals dit tot uitdrukking komt in artikel 15, achtste lid, van de Tracéwet, geen ruimte om de afsluiting van de rechtstreekse verbinding tussen de autosnelweg A2/N2 en het stadsdeel Wyck in het kader van de bestemmingsplanprocedure opnieuw ter discussie te stellen.”

Meer informatie: Henk Gierveld (HDJZ), henk.gierveld@minienm.nl 
Bron: http://www.mernieuws.nl/nieuwsbrief/2011/december/12_05_december.html