COPI

Hoe vaak komt een tunnelbrand voor?

Voor de rijkstunnels in Nederland treedt gemiddeld twee keer per jaar een kleine brand op (zoals een motorkapbrand), die in korte tijd dooft of wordt geblust (door de weggebruikers of de brandweer) zonder dat er slachtoffers vallen en zonder dat noemenswaardige materiële schade optreedt. Grotere tunnelbranden zijn in Nederland zeer zeldzaam. In de Nederlandse tunnelgeschiedenis is sinds 1942 tweemaal een grote vrachtwagenbrand voorgekomen: in de Velsertunnel (1978) en in de Heinenoordtunnel (2014). In beide gevallen is de brand door de brandweer geblust.
CalamiteitenDoorsteek (CaDo) bij Europaplein CalamiteitenDoorsteek (CaDo) bij Europaplein
HulpdienstInformatiePaneel (HIP) HulpdienstInformatiePaneel (HIP)

COPI-GEBIEDEN VOOR A2-TUNNELMONDEN

Wanneer er straks een ernstig ongeluk gebeurt, zoals een aanrijding met een autobrand tot gevolg, wordt dat direct opgemerkt door de wegverkeersleider. Hij sluit via een druk op de calamiteitenknop meteen alle vier de tunnelbuizen af voor verkeer. De hulpdiensten worden direct gealarmeerd en komen zo snel mogelijk naar de tunnel. Eenmaal aangekomen, verzamelen zij zich bij het zogenaamde CoPI-gebied (in vaktermen Commando Plaats Incident).
CoPI-gebied Geusselt CoPI-gebied Geusselt
CoPI-gebied Europaplein CoPI-gebied Europaplein
CoPI-gebieden voor tunnelmonden
Bij A2 Maastricht bevinden de CoPI-gebieden zich bij Geusselt en bij Europaplein, telkens zo’n 250 meter voor de tunnelmonden. Dit is de plek waar alle rijbanen van de dubbellaags tunnel op hetzelfde niveau bij elkaar komen. Dit is een belangrijk punt want vanaf het CoPI-gebied moeten alle tunnelbuizen kunnen worden benaderd. De gebieden zijn zo ingericht dat de hulpdiensten zich op kunnen stellen aan de veilige zijde van de tunnel. We noemen dat ook wel “bovenwinds” omdat ze dan niet in de eventuele rook komen te staan. In het CoPI vindt de afstemming tussen de hulpverleners en de besluitvorming plaats over hoe de gevolgen van een ongeluk zo effectief en efficiënt mogelijk kunnen worden bestreden.
Bijzondere kenmerken
Voor de weggebruiker ter plekke bevindt het CoPI-gebied zich net achter de afsluitbomen die dienen om de rijstroken af te sluiten. Zo staan de hulpverleners altijd veilig opgesteld op voldoende afstand van het tot stilstand gekomen verkeer. In dit gebied bevindt zich ook de calamiteitendoorsteek - in vaktermen CaDo genoemd -. Dat is een doorgang tussen de hoofdrijbanen die het voor de hulpdiensten mogelijk maakt om snel door te steken naar een andere tunnelbuis. Ook bevindt zich een zogenaamd HulpdienstInformatiePaneel (HIP) in het gebied. Dit HIP beschikt over een beeldscherm en een intercom. Met deze intercom  staan de hulpdiensten rechtstreeks in contact met de verkeerscentrale. Ze krijgen van de centrale de laatste informatie over de calamiteit en kunnen ook de actuele beelden van de tunnel op het beeldscherm presenteren. Naast de intercom van het HIP beschikt het CoPI-gebied over meerdere intercoms voor rechtstreeks contact met de verkeerscentrale. Deze zijn onder andere in de nabijheid van de afsluitbomen en de CaDo geplaatst.
Vanaf GRIP 1
De hulpdiensten maken enkel gebruik van het CoPI-gebied als er sprake is van een incident waarbij meerdere hulpdiensten betrokken zijn, en waarbij een goede afstemming tussen die hulpdiensten noodzakelijk is. In het jargon heet dat GRIP 1 (Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdings Procedure 1).
Ter plekke via niet-incidentbuis
Indien de  situatie het toelaat gaan de hulpdiensten direct naar de plaats van het ongeval in de tunnelbuis. Dat doen ze in principe altijd vanaf de veilige zijde – daar waar het CoPI dus wordt ingericht -  via de zogenaamde niet-incidentbuis; de tunnelbuis naast de tunnelbuis waar het ongeval heeft plaatsgevonden.